De dahlia: teelt, overwintering van de knollen en variëteiten

jpg/dahlia.jpg

De dahlia bloeit onafgebroken van juli tot de eerste vorst, en zakt dan in één keer in elkaar: de eerste echte vorst kleurt zijn blad zwart. Op dat moment verliezen veel tuiniers hun planten, niet in de zomer maar in de winter, omdat ze de knollen niet op tijd in veiligheid hebben gebracht. Deze gids behandelt de teelt van de dahlia van A tot Z, met bijzondere aandacht voor dat lastige moment.

In België is het veiligst de knollen na de eerste vorst te rooien en ze droog, koel en vorstvrij te bewaren.

Een Mexicaanse plant in onze tuinen

De dahlia behoort tot de composietenfamilie (Asteraceae), net als de margriet en de zonnebloem. Het geslacht telt 42 soorten volgens de botanische referentie van Kew Gardens, allemaal afkomstig uit een gebied dat loopt van Mexico tot Colombia. Het zijn vaste planten met wortelknollen: verdikte wortels, in een pol gegroepeerd aan de voet van de stengels, die reserves opslaan tijdens het droge seizoen in hun streek van herkomst.

De holle stengels worden 30 cm tot meer dan 2 m hoog, afhankelijk van de variëteit. De bladeren staan tegenover elkaar, groen of purper bij sommige variëteiten zoals 'Bishop of Llandaff'. Wat we "de bloem" noemen, is in werkelijkheid een bloemhoofdje: een centrale schijf van kleine buisbloempjes, omringd door lintbloemen die de rol van bloemblaadjes spelen. Bij gevulde variëteiten zijn bijna alle bloempjes van het hoofdje lintbloemen geworden.

Bishop of Llandaff

Van de Azteken tot de Europese tuinbouwkoorts

Lang voor de komst van de Spanjaarden kenden de volkeren van Mexico de dahlia onder Nahuatl-namen zoals acocoxóchitl, die naar de holle stengels verwijzen. Ze gebruikten de plant onder meer als geneesmiddel, en de Spaanse arts Francisco Hernández beeldde in de 16e eeuw al een gevulde vorm af, een teken van eeuwenoude selectie.

In 1789 kwamen zaden uit Mexico aan in de Koninklijke Botanische Tuin van Madrid. De directeur, Antonio José Cavanilles, beschreef het geslacht in 1791 en vernoemde het naar de Zweedse botanicus Anders Dahl, een leerling van Linnaeus. In de 19e eeuw veroverde de dahlia heel Europa, waar kwekers duizenden variëteiten creëerden. In Mexico werd hij in 1963 uitgeroepen tot symbool van de nationale bloementeelt.

jpg/Cavanilles_R01.jpg Antonio José Cavanilles, Spaans botanicus (Valencia, 1745 – Madrid, 1804).

Op het juiste moment planten

De dahlia verdraagt geen vorst, niet als plant en niet als knol. In België plant u hem buiten na de laatste vorst, in de praktijk vanaf half mei (de "ijsheiligen" zijn een richtpunt, maar het lokale weer beslist), of zelfs begin juni in koude streken zoals de Ardennen.

Om enkele weken bloei te winnen, kunt u de knollen binnen voortrekken van februari tot april: in een pot of bak met nauwelijks vochtige potgrond, in het licht en vorstvrij. De planten gaan naar buiten zodra het weer het toelaat, na enkele dagen overdag buiten afharden.

De dahlia houdt van:

  • volle zon, minstens zes uur per dag;
  • een rijke, diepe en goed doorlatende grond, verbeterd met goed verteerde compost;
  • ruimte, vooral voor de grote variëteiten, zodat de lucht tussen de planten kan circuleren.

Plant de pol knollen liggend, met de wortelhals (het punt waar de stengels uit de knollen vertrekken) net op of iets onder het grondniveau. Geef nauwelijks water voordat de scheuten verschijnen: een knol zonder blad in doorweekte grond rot gemakkelijk.

Opbinden, toppen, uitgebloeide bloemen weghalen: het zomeronderhoud

  • Vroeg opbinden. Zet de steunstok tegelijk met de knol, om hem later niet te beschadigen. Een stevige bamboestok volstaat voor de meeste variëteiten; voor een pol vier stokken in een vierkant met touw eromheen. Reuzenvariëteiten hebben een paal per stengel nodig.
  • Toppen wanneer de hoofdstengel zo'n veertig centimeter bereikt: verwijder de top net boven een bladpaar. De plant vertakt en geeft meer bloemen.
  • Uitgebloeide bloemen elke week weghalen, boven een bladpaar. Zonder zaad te moeten vormen, blijft de dahlia bloeien tot de vorst.
  • Water geven: royaal bij droogte, aan de voet, eerder dan elke dag een beetje. In potten om de twee weken een kaliumrijke vloeibare meststof (type tomatenmest) van juli tot begin september; in volle grond volstaat een goede mulch van organisch materiaal meestal.

Overwinteren: rooien of in de grond laten?

Dat is de grote herfstvraag. Er zijn twee opties, en de keuze hangt vooral af van uw grond.

De knollen in de grond laten

Dat is het eenvoudigst, maar het blijft een gok. Probeer het enkel in een lichte, goed doorlatende grond, in een zachte streek. Snoei na de eerste vorst de stengels tot op de grond en bedek de pol met een mulchlaag van minstens 15 cm: compost, dode bladeren, gehakselde stengels of schors. Een heel koude, of gewoon heel natte winter kan de knollen toch doden: in zware kleigrond rotten ze lang voordat ze bevriezen.

Rooien en binnen bewaren: de veilige methode

Dat raden we aan voor de meeste Belgische tuinen, en zeker voor de variëteiten waar u aan hecht.

1. Wacht op de eerste vorst. Het blad wordt in één nacht zwart: dat is het signaal. De knollen hebben dan het hele seizoen benut om reserves op te bouwen. Blijft de herfst zacht, wacht dan niet langer dan eind november; in zware, doorweekte grond rooit u beter nog vroeger.

2. Snoei de stengels tot 5 à 15 cm boven de wortelhals en label elke pol met de naam of kleur van de variëteit. In de lente, zonder bloemen, lijken alle knollen op elkaar.

3. Voorzichtig rooien. Steek de spitvork op ruime afstand van de stengel in de grond en til de kluit van onderen op, zonder aan de stengels te trekken: de "hals" die elke knol met de wortelhals verbindt, breekt gemakkelijk, en een knol die los is van de wortelhals loopt niet meer uit.

4. Schoonmaken en drogen. Schud de aarde eraf en verwijder beschadigde of zachte knollen. Laat de pollen vervolgens ondersteboven drogen, met de stengels naar beneden, gedurende enkele weken op een luchtige, vorstvrije plek: het water in de holle stengels loopt weg in plaats van de wortelhals te laten rotten. Houd de pollen heel; delen gaat in de lente gemakkelijker en veiliger.

5. Koel, droog en donker bewaren. Leg de pollen in kratten of ondiepe bakken, omringd door een materiaal dat ze isoleert en voorkomt dat ze uitdrogen: droge gebruikte potgrond, zand, vermiculiet, houtkrullen, stro of krantenpapier. Ideaal is een ruimte tussen ongeveer 4 en 10 °C, vorstvrij: garage, kelder, geïsoleerd tuinhuis. Leg er bij strenge vorst een deken of vliesdoek over.

6. Eén keer per maand controleren. Verwijder elke knol die rot of schimmelt, voordat het probleem zich uitbreidt. Knollen die verschrompelen, zijn te veel uitgedroogd: leg ze dichter bij een licht vochtig materiaal. Knollen die schimmelen, liggen te vochtig, te weinig verlucht of te warm.

Periode Wat te doen
Oktober – november Eerste vorst, daarna rooien (uiterlijk eind november)
November Ondersteboven drogen, daarna in bakken opbergen
December – februari Maandelijkse controle, beschadigde knollen verwijderen
Maart – april Delen en binnen voortrekken
Half mei – begin juni Buiten planten, na de laatste vorst

Een dahliaknol zonder stukje wortelhals loopt nooit meer uit: de knoppen zitten op de wortelhals.

Pelargoniums, fuchsia's en andere vorstgevoelige planten vragen dezelfde voorzorgen: zie ons artikel over overwinteren van tuinplanten (in het Frans) en onze gids over de fuchsia.

Dahlia's vermeerderen

  • Pollen delen in de lente, wanneer u ze opnieuw in groei zet. De knoppen (de "ogen") zijn dan zichtbaar op de wortelhals. Snijd de pol met een schoon mes zodat elk stuk minstens één gezonde knol en een stukje wortelhals met een oog behoudt.
  • Stekken. Trek de knollen eind winter binnen voor; wanneer de scheuten 8 à 10 cm lang zijn, neemt u ze met een hieltje en laat u ze wortelen in lichte potgrond, onder een kap. Elke stek geeft precies dezelfde variëteit.
  • Zaaien. Vooral gebruikt voor lage dahlia's en mengsels met enkelvoudige bloemen, eind winter warm gezaaid. Zaad van een hybride variëteit geeft geen planten die gelijk zijn aan de moederplant: reken op verrassingen, goede en minder goede.

Plagen en ziekten

  • Slakken: het grootste gevaar in de lente, op jonge scheuten.
  • Bladluizen: ze vervormen jonge scheuten en brengen virussen over.
  • Oorwormen: ze knabbelen 's nachts aan de bloemblaadjes; een omgekeerde pot gevuld met stro, op een stok gezet, vangt ze.
  • Spint: dof, gespikkeld blad bij warm en droog weer.
  • Echte meeldauw: wit vilt op de bladeren in de nazomer, vooral als de planten te weinig lucht krijgen.
  • Virussen: gevlekte of misvormde bladeren, kwijnende plant. Geen behandeling: trek de plant uit en gooi ze weg, niet op de composthoop.
  • Rot tijdens de bewaring: bijna altijd door onvoldoende drogen of een te warme en vochtige bewaarplaats (zie hoger).

Vormen en variëteiten

Het internationale dahliaregister, bijgehouden door de Britse Royal Horticultural Society, deelt de variëteiten in 14 groepen in volgens de bloemvorm. De meest voorkomende in de tuin:

  1. Enkelbloemige en anemoonbloemige: één rij lintbloemen rond een zichtbaar hart. De nuttigste voor bestuivers.
  2. Halskraag: een rij platte lintbloemen, met een kraag van kortere blaadjes rond het hart.
  3. Waterlelie: gevulde, platte en regelmatige bloemen die aan een waterlelie doen denken.
  4. Decoratief: sterk gevuld, met brede lintbloemen; zij bereiken de grootste afmetingen, soms meer dan 25 cm doorsnede.
  5. Bal en pompon: bolvormige bloemen met tot buisjes opgerolde lintbloemen, uitstekend in boeketten.
  6. Cactus en semi-cactus: smalle lintbloemen, in de lengte opgerold, met een stekelig uitzicht.

Enkele klassiekers: 'Café au Lait' (reuzendecoratief in crème- en koffietinten), 'Bishop of Llandaff' (halfgevulde scharlakenrode bloemen boven purper blad), 'Thomas Edison' (dieppurper decoratief).

De knollen worden vooral in de lente verkocht in tuincentra, en online bij gespecialiseerde kwekerijen, met name in Nederland. Reken op enkele euro's voor een gewone variëteit tot 15 euro of meer voor een nieuwigheid.

Wees op uw hoede voor ‘zeldzame’ zaden en knollen op online marktplaatsen: bewerkte of zelfs verzonnen kleuren, en variëteiten die niet kloppen. Lees de beoordelingen voordat u koopt.

Test uzelf

Wanneer rooit u dahliaknollen in België?

Toon het antwoord

Antwoord: Na de eerste vorst die het blad zwart kleurt, en uiterlijk eind november

Vorst kleurt het blad zwart, maar niet de ingegraven knollen: die hebben zo het hele seizoen benut om reserves op te bouwen.

Waarom droogt u de pollen ondersteboven?

Toon het antwoord

Antwoord: Zodat het water uit de holle stengels wegloopt in plaats van de wortelhals te laten rotten

Dahliastengels zijn hol en houden water vast: ondersteboven lopen ze leeg.

Welk stuk knol loopt in de lente opnieuw uit?

Toon het antwoord

Antwoord: Een knol die vastzit aan een stukje wortelhals met een oog

De knoppen zitten op de wortelhals, niet op de knol zelf: zonder wortelhals geen scheut.

Bronnen

← Terug naar overzicht